Voor flora, fauna en mensen
Gardeners' World magazine
Inheemse helden 2025
Het Britse BBC TV programma Gardeners World - vooral bekend van presentator Monty Don - kent ook al wat jaren een eigen tijdschrift. Het Gardeners' world magazine staat bomvol praktische verhalen en tips voor een kleurrijke tuin.
Sinds 2021 verzorgen wij een vaste rubriek onder de titel "Inheemse held stelt zich voor".
Hieronder de inheemse helden van 2025.
Echte koekoeksbloem ~ Silene flos-cuculi
Ik, Echte koekoeksbloem ben een overblijvende, vaste plant uit de Anjerfamilie (Caryophyllaceae). De Anjerfamilie omvat ruim 400 soorten. Vroeger werd ik in een apart geslacht (lychnis t.o.v. silene) onderscheiden, maar dat is nu niet meer het geval. Mijn botanische naam silene gaat terug naar de bosgod Silenus, die wordt beschouwd als de vader van de silenen. Volgens een andere interpretatie stamt silene af van het Griekse sialon in de betekenis van speeksel of slijm, omdat vele soorten kleverig zijn. Mijn soortaanduiding flos-cuculi is samengesteld uit de Latijnse woorden flos = bloem en cuculus = koekoek.
Opvallend zijn mijn franjeachtige bloemen en deze vallen des temeer op omdat aan de stengels maar weinig blaadjes zitten. Ze zien er wat rafelig uit (de Engelse naam voor de plant luidt ragged robin: rafelige roodborst). De bloemkleur is rozerood, een enkele keer komen ook witte bloemen voor. De bloeitijd loopt van mei t/m juli met soms nog een tweede bloei in de nazomer en herfst van augustus tot in oktober. Ik kan een tuin lange tijd sieren met mijn uitbundige en langdurige bloei. Mijn bloemen zijn eetbaar en ze vormen een prachtige versiering op gerechten. Ik word ook als sierplant in verschillende variëteiten gekweekt met o.a. witte en dubbele bloemen.
Ik ben een zonminnende plant en hou van licht vochtige tot drassige grond die matig voedselrijk is. Dit kan zowel zand, leem, lichte klei, zavel als veenbodem zijn. Van nature ben ik te vinden in vochtige tot natte graslanden/hooilanden en bermen, aan sloot- en waterkanten, in vochtige lichte loofbossen en in duinvalleien. Ik ben sterk afhankelijk van de stand van grondwater. Waar de natuurlijke omstandigheden goed zijn, kan ik massaal aanwezig zijn en vorm grote rozerode tapijten. Hoewel ik word beschouwd als een soort die nog vrij algemeen voorkom, ben ik in het natuurlijke landschap sterk achteruitgegaan.
Mijn bloemen worden bestoven door wilde bijen, hommels en dag- en nachtvlinders. Ik ben de waardplant voor diverse vlindersoorten (Spanners, Kokermotten en Uilen) en een belangrijke nectarplant voor de (eerste generatie van) Zilveren maan (Boloria selene) en Bont dikkopje (Carterocephalus palaemon). Na de bestuiving van mijn bloemen vormen zich zaaddoosjes met kleine donkere zaden. Als de zaaddoosjes zijn opengesprongen dan worden de zaden door het wuiven van de stengels in de wind rondgestrooid.
In tuinen ben ik bijvoorbeeld in weides goed te combineren met Pinksterbloem, Kruipend zenegroen, Blauwe knoop, Bevertjes, Scherpe boterbloem, Grote ratelaar, Hondsdraf, Gewone brunel en Rapunzelklokje. Zie ook de pagina Echte koekoeksbloem.
Blaassilene ~ Silene vulgaris
Ik, Blaassilene, maak deel uit van de anjerfamilie (Caryophyllaceae) en ik ben een overblijvende plant en kan een hoogte van 30 tot 50 cm bereiken. Ik ben enigszins te verwarren met de verwante soorten nachtsilene (silene nutans) en vooral met Avondkoekoeksbloem (Silene latifolia).
Ik val op door de dikke ovaalvormige kelk rondom het vruchtbeginsel (vandaar ook de naam blaassilene) en mijn bijna bolronde doosvrucht. Uit mijn kelk groeien kleine witte bloem- of kroonblaadjes en mijn bloemen verspreiden - vooral ’s avonds - een prettige geur, die lijkt op kruidnagel. Mijn wasachtige grijsgroene bladeren zijn eetbaar en kunnen vers en bij voorkeur na licht koken in water, worden gebruikt in salades of aardappel- en pastaschotels.
Ik groei van nature op zonnige tot licht beschaduwde, vrij droge tot matig vochtige, kalkhoudende, vaak min of meer omgewerkte bodems, bestaande uit zand, klei, leem en krijt. Ik ben in Nederland vrij algemeen, het meest te vinden in Zuid-Limburg en elders minder algemeen en vaak niet overblijvend. Vermoedelijk ben ik in Nederland alleen in Zuid-Limburg oorspronkelijk inheems.
Ik ben van nature vrij onbestendig: ik ben nogal eens niet te vinden op de plek waar ik eerder groeide. Opvallend is dat ik ook groei op een bodem die nogal verontreinigd is met zware metalen, zoals oude zinkgroeves en -mijnen. Hier groei ik samen met bijvoorbeeld zinkviooltje, engels gras en grasklokje. Mijn wortels kunnen tot een meter diep reiken.
Ik heb een of meerdere bloemstengels die licht knikken zodra mijn bloei begint. Mijn bloeitijd is in de regel van juni of juli tot in september. Mijn bloemen bevatten nectar en worden met name bestoven door nachtvlinders (o.a. Gelijnde en Gevorkte silene-uil, Silenedwergspanner en Witband-silene-uil) en ook hommels. Mijn nectar bevindt zich aan de basis van de kelk, zodat insecten zich ver in de buis moeten wringen voor de nectar. Dit zou bestuiving verzekeren, maar hommels kunnen deze weg omzeilen door aan de basis van mijn kelk een gat te bijten.
Na de bestuiving van mijn bloemen vormen zich zaaddozen en als deze zijn opengesprongen dan worden mijn zaden door het wuiven van de stengels in de wind rondgestrooid. Mijn zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar) en de beste zaaitijd is eind zomer of in de lente.
In tuinen ben ik bijvoorbeeld goed te combineren met Wildemanskruid, Grasklokje, Grote tijm, Wondklaver, Nachtsilene, Steenanjer, Engels gras, Duifkruid en Kartuizer anjer. Zie ook de pagina Blaassilene.
Knoopkruid ~ Centaurea jacea
Ik, Knoopkruid, ben een plant die zich makkelijk aanpast aan verschillende omstandigheden, wat mijn wijdverspreide voorkomen in Nederland verklaart. Ik, Knoopkruid, ben lid van de Composietenfamilie (Asteraceae) en ik word vaak aangetroffen in weg- en spoorbermen, in kruidenrijke graslanden en op open plekken in bossen. Ik ben een overblijvende plant waar heel veel soorten wilde bijen en (dag)vlinders van profiteren.
Mijn botanische naam centaurea gaat terug naar de Griekse mythologie, naar een centaur die Chiron heette. Deze centaur zou arts zijn geweest en zou de helende eigenschappen van de plant hebben ontdekt. Mijn bladeren en bloemen zijn eetbaar en vroeger werd mijn blad gebruikt bij het brouwen van bier, als vervanging van hop. Uit pollenonderzoek is bekend dat ik sinds de laatste IJstijd in Nederland voorkom.
Ik heb een voorkeur voor een zonnige standplaats op droge tot licht vochtige grond die bij voorkeur voedselarm tot matig voedselrijk is. Mijn hoogte verschilt nogal, vooral vanwege de vele verschillende standplaatsen waar ik me thuis voel.
Ik bloei uitbundig van juni tot en met september en mijn alleenstaande, 2-6 cm grote bloemhoofdjes zijn (rood)paars of heel soms wit. De vergrote buitenste bloemen zijn steriel en dienen specifiek voor de aantrekkingskracht voor insecten.
Mijn bloemen geven veel nectar en worden dan ook druk bezocht door allerlei bijen, hommels, vlinders, (zweef)vliegen en kevers. Qua wilde bijen zijn het vaak zandbijen, pluimvoetbijen, groefbijen en veel soorten hommels. Ook veel soorten vlinders bezoeken mijn bloemen zoals de Distelvlinder, Bruin zandoogje, Argusvlinder, Kleine vos en Koninginnepage.
Er worden ook diverse soorten cultivars gekweekt, maar die stammen meestal af van de Bergcentaurie (Centaurea montana), een verwante soort die in Nederland niet oorspronkelijk inheems is. Voor vermeerdering kun je mijn kortlevende zaden het beste zo vers mogelijk zaaien, in de maanden juli tot september.
Voor tuinen en bloemenweides ben ik een zeer aantrekkelijke en sterke plant. Ik bloei uitbundig en langdurig en verdraag ook een wat verruigde vegetatie. Als ik in de zomer wordt afgemaaid of gesnoeid dan kom ik weer in bloei en bloei zo tot ver in de herfst. In tuinen en kruidenrijke vegetaties ben ik bijvoorbeeld goed te combineren met inheemse planten als Beemdkroon, Wilde marjolein, Gewone margriet, Grote centaurie, Boslathyrus, Zwarte toorts, Wilde cichorei en Sint-janskruid. Zie ook de pagina Knoopkruid.
Gewone brunel ~ Prunella vulgaris
Ik, Gewone brunel, ben een overblijvende plant uit de Lipbloemenfamilie (Lamiaceae) Ik ben een prachtige purperkleurige bodembedekker en kan een hoogte van 10 tot zo’n 45 cm bereiken. Ik ben een vrij lage soort en hierdoor heb ik een voorkeur voor een wat meer open begroeiing. Toch kan ik ook wat hoger worden als er meer concurrentie is qua (zon)licht. Mijn bladeren zijn in de winter ook groen en ik groei ook in halfschaduw. Mijn bloeitijd ligt tussen juni en september, hoewel dit kan variëren, afhankelijk van het (maai)beheer. Ik heb een voorkeur voor lichtvochtige grond die matig voedselrijk is. Als je mij in het gazon hebt staan en niet te frequent maait, dan bloei ik prachtig tussen het gras. Ik lijk op de aanverwante soort grote brunel (Prunella grandiflora). Grote brunel is sterker behaard, heeft grotere bloemen en heeft langere en iets smallere bladeren dan ik. Daarnaast bestaat er ook Witte brunel (Prunella laciniata), zoals de naam al doet vermoeden zijn de bloemen wit van kleur.
Ik ben echt een mooie, rijkbloeiende soort voor de siertuin en ik word idealiter groepsgewijs aangeplant. De basis van mijn stengels kruipen over de grond en wortelen regelmatig. Mijn bloeistengels richten zich op en dragen bovenin een tros met bloemen die zeer gedrongen is. Als mijn bloemen zijn uitgebloeid en de kronen zijn afgevallen lijkt het geheel op een klein bijenkorfje. Als uitgebloeide plant ben ik dan ook nog een prachtige verschijning om te zien. Mijn jonge bladeren en scheuttoppen met bloemknoppen zijn eetbaar en gesneden of fijngehakt goed toe te passen in kruidenboter of sauzen. In traditionele geneeskundepraktijken word ik al lang gebruikt om verschillende aandoeningen te behandelen met name vanwege de antimicrobiële en ontstekingsremmende effecten. Zo word ik onder andere gebruikt voor behandelingen van kneuzingen en tegen keelpijn en ontstekingen in de mond. Mijn naam prunella is een verbastering van brunella: een aandoening die een bruin kleurende keel kan veroorzaken. Ik ben ook een goede drachtplant vanwege mijn nectar en stuifmeel en ben zeer waardevol voor vlinders en veel soorten groepen wilde bijen, zoals hommels, zandbijen, groefbijen, behangersbijen, en specifieke soorten als gewone maskerbij, andoornbij en blauwe metselbij. Voor tuinen en kruidenrijke vegetaties ben ik een zeer aantrekkelijke en kleurige bodembedekker. Ik ben bijvoorbeeld goed te combineren met allerlei lagere grassen en composieten en specifieke planten als Beemdooievaarsbek, Beemdkroon, Brede ereprijs, Geelgroene vrouwenmantel, Gewone agrimonie, Rapunzelklokje, Gewone margriet en Avondkoekoeksbloem. Zie ook pagina Gewone brunel.
Aardaker ~ Lathyrus tuberosus
Ik, Aardaker, ben een lathyrussoort en maak deel uit van de vlinderbloemenfamilie (fabaceae). Ik ben een overblijvende rankende klimplant. Mijn kantige stengels kunnen een lengte van 50-120 cm bereiken en hebben ranken, waarmee ik me aan andere planten kan hechten. Mijn bladeren zijn geveerd, ovaal tot langwerpig. Mijn wortels vormen ondergrondse uitlopers met knolletjes. Vandaar mijn soortaanduiding tuberosus. Dit is het Latijnse woord voor knolvormig, knoldragend of met knollen. Het slaat op de knolletjes die aan de worteluitlopers groeien. Mijn Nederlandse naam aardaker bestaat uit aard en aker: aard betekent aarde en aker roept een associatie op met akker, waar ik vaak groei. Aker is een oud woord voor eikel, naar de vorm en de kleur van de knolletjes die aan de wortelstok groeien. Mijn knollen zijn ongeveer zo groot als een hazelnoot en kunnen rauw worden gegeten en ook gekookt, gestoofd of gebakken worden of als tamme kastanjes gepoft. Ze kunnen na de bloei in oktober-december geoogst en ze hebben vanwege zetmeel, suikers, eiwitten en vetten een hoge voedingswaarde en de smaak doet enigszins aan amandelen of kastanje denken. Ik werd vroeger (o.a. in Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden en in de Betuwe) commercieel geteeld als eetbare groente en in de 18e tot in de 20ste eeuw zelfs geëxporteerd naar landen als Frankrijk en Engeland, waar de knolletjes Dutch mice werden genoemd. Verder zijn ook mijn decoratieve bloemen en de jonge scheuten van de plant eetbaar.
Ik ben een zonminnende soort en heb van nature een voorkeur voor kalkhoudende bodems die enigszins vochtig en voedselhoudend zijn. Dat kan met name (rivier)klei of leem zijn, maar ik groei ook op zand, löss en zavel. Ik groei in allerlei grazige wegbermen en (graan) akkerranden, in bosranden, langs kanalen en spoorwegen, op dijken en op braakliggende terreinen. Ik ben een rijkbloeiende soort en mijn bloeiwijze bestaat uit lang gesteelde trossen met 2 tot 8 bloemen. Mijn bloemen zijn prachtig rozerood tot karmijnrood tot violet van kleur en verspreiden een zeer fijne geur. Mijn geurende bloemen bevatten vooral nectar en worden bestoven door o.a. hommels, vlinders, honingbijen en (solitaire) wilde bijen, zoals behangersbijen en metselbijen. Ik ben ook de waardplant voor de vlinders (rupsen) boswitje (leptidea sinapis) en groot koolwitje (pieris brassicae). In tuinen en kruidenrijke vegetaties ben ik bijvoorbeeld goed te combineren met inheemse planten als Beemdkroon, Wilde marjolein, Gewone margriet, Grote centaurie, Boslathyrus, Zwarte toorts, Wilde cichorei en Sint-janskruid. Ik breid uit via mijn zaden/erwten (generatief) en door mijn ondergrondse uitlopers/knollen (vegetatief). Mijn zaden zitten in peulen.
#nlbloeit #biodiversiteit #plantenvanhier #oogopdenatuur #newdutchwave
Maak € 39,95 (per boek incl. verzendkosten) over op rekening NL93TRIO0338519149 van stichting NL Bloeit!
onder vermelding van 'Planten van hier' + adresgegevens in NL (straat / huisnummer & postcode / plaats).
Na ontvangst van de betaling wordt de bestelling via Post.nl verzonden.
De opbrengst komt ten goede aan de missie van NL Bloeit!